

In de tweede helft van de tachtiger jaren begint Albert Fongers op enige
schaal rijwielen te maken, maar is zijn smederij nog van alle markten
thuis. Zo wordt het bedrijf in 1890 als volgt omschreven in het bedrijfsbriefhoofd:
'Fabriek van rijtuigen, rijwielen, sulky's enz. (De Groninger Rijwielenfabriek)/
Inrichting voor hoefbeslag/ Grof-, Kunst-, Fijnsmederij'.
Begin
jaren '90 besluit Albert Fongers zich geheel toe te leggen op de productie
van rijwielen (inmiddels gebaseerd op de Engelse safety’s). Het
bedrijf heeft inmiddels enige naam verworven in het Noorden en behaalt
in 1893 een gouden medaille bij een tentoonstelling in Winschoten. Deze
medailles waren in de fase van opkomende industrialisatie een prestigieus
keurmerk. In het archief van Velorama bevindt zich een brief van de
directie van Simplex (één van de weinige andere Nederlandse
fabrikanten in die jaren), die omstandig aan Albert Fongers laat weten
dat deze medaille niet betekent dat rijwielen van Fongers beter zouden
zijn dan die van Simplex.
In 1894 besluit Fongers een groter pand naast de bestaande smederij
te betrekken. In dat pand krijgt de eerste rijwielenfabriek van Fongers
vorm, zij het dat hij maar twee jaar daar zou blijven.
De doorbraak van Fongers als landelijk fabrikant vindt plaats in 1895
tijdens de tentoonstelling in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt,
georganiseerd door de pas opgerichte Vereniging De Nederlandse Rijwielindustrie.
Daar doet Fongers van zich spreken met een aantal modellen die tegen
aanzienlijk lagere prijzen werden aangeboden dan de toen gangbare Engelse,
Amerikaanse en Duitse merken. De concurrentie in de rijwielindustrie
vond in dit tijdperk van hoogkapitalisme op het scherp van de snede
plaats.
Fietsen kostten halverwege de jaren '90 minimaal 200 gulden, ruimschoots
meer dan het jaarsalaris van een arbeider. De fiets was een luxe-artikel,
slechts bereikbaar voor de maatschappelijke toplaag. Illustratie daarvan
is het feit dat het bezit van een rijwiel in 1899 als grondslag wordt
toegevoegd voor de personele belasting. Deze eerste vorm van rijwielbelasting
zou pas in 1919 worden afgeschaft.
Vanaf
midden jaren '90 gaat de afzet van Fongers met sprongen vooruit. Besloten
wordt met steun van een aantal particuliere kapitaalverschaffers een
naamloze vennootschap op te richten. Op 1 september 1896 wordt 'NV De
Groninger Rijwielenfabriek A. Fongers, voorheen alleen onder de naam
A. Fongers' opgericht. De directie van de NV kwam in gezamenlijke handen
van Albert en Ties Fongers. De NV kreeg een Raad van Commissarissen
met grootindustrieel J. Scholten als president.
Met het vergaarde maatschappelijk kapitaal van fl.
400.000 (400 aandelen van fl 1000) werd de bouw en inrichting van de
nieuwe fabriek aan de Hereweg in Groningen-Zuid bekostigd. Het gebouw,
dat in maart 1897 in gebruik zou worden genomen, bestond uit drie loodsen
met een lengte van elk 100 meter en een hoofdgebouw in neorenaissancestijl,
dat de nodige ondernemerstrots uitstraalde. In het hoofdgebouw waren
de directie en administratieve functies gehuisvest. Aan de straatzijde
lag het Groninger verkoopfiliaal met daarachter de ruime rijschool.
In de loodsen zijn de werkplaatsen gevestigd, waar het Fongers fabrikaat
zal worden gemaakt. Een artikel van Frans Netscher (hoofdredacteur De
Kampioen) uit 1902 over het bedrijf bevat het volgende citaat, getuigend
van de industrieromantiek uit deze periode: 'Hier snorren de draaibanken,
daar knagen de freesbanken het staal af, enigszins verder brommen de
boormachines, weer op een andere plaats gloeien de soldeervuren.'
Met
de ingebruikneming van de nieuwe fabriek aan de Hereweg worden de fietsen
grotendeels in eigen beheer gemaakt en nemen ook de mogelijkheden voor
standaardisatie toe. Behalve machines voor het maken van de diverse
onderdelen, heeft de fabriek ook een eigen gereedschapsmakerij.
Met de start van de NV werd de basis gelegd voor het specifieke Fongers
product, dat tot ca. 1960 op dezelfde leest zou zijn geschoeid. Het
fraaie beeldmerk (gouden schild met rode band overdwars) werd waarschijnlijk
omstreeks 1890 geïntroduceerd, tot 1897 met de rode banier van
linksboven naar rechtsbeneden (daarna juist andersom). Eveneens in 1897
opent Fongers eigen filialen ('magazijnen') in enkele steden verspreid
over het land.
Fongers had de betere Engelse toerfiets als referentie
en ontwikkelde een eigen variant daarop (zie ook de pagina Modellen).
Het merk verwierf met zijn brede modellenlijn én de optie om
bijzondere modellen op individuele bestelling te leveren, een goede
uitgangspositie op de nog bescheiden maar groeiende Nederlandse markt.
In de jaren 1900-1905 loopt de productie op naar een niveau van ca.
2.000 fietsen per jaar. Omstreeks 1905 treden het leger en diverse overheidsdiensten
toe tot de klantenkring.
In het eerste decennium van de nieuwe eeuw begint ook de export naar
Nederlands-Indië op gang te komen. Het bezoek van Prins Hendrik
(echtgenoot van Koningin Wilhelmina) in 1909 aan de fabriek wordt publicitair
breed uitgemeten. In datzelfde jaar vindt de eerste levering van aan
het leger in Nederlands Indie plaats.
Vanaf
1910 breekt voor Fongers het bloeitijdperk aan. In deze periode is de
fiets nog altijd een kostbaar artikel, maar wel bezig aan een gestage
opmars. Zo waren er in 1910 in Nederland ruim 500.000 fietsen (waarvan
het gros van buitenlandse makelij) op ca. 6 miljoen inwoners.
De productiecapaciteit van de fabriek
aan de Hereweg wordt stilaan beter benut, met in 1910 zo'n 4.000
fietsen per jaar. Fongers richt zich op het hogere marktsegment en profileert
zich nadrukkelijk als fabrikant van de betere fiets c.q. als merk van
stand. Ondanks het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog blijft de productie
groeien, tot zo'n 5 à 6.000 fietsen per jaar. In 1914 vindt de
eerste grote uitbreiding van de fabriek plaats. Een paar jaar daarvoor
was men een automobielgarage gestart tegenover de fabriek (deze garage
schijnt nooit een succes te zijn geweest). Op bescheiden schaal wordt
ook de productie van motoren ter hand genomen en een groothandel ingericht.
Deze groothandel zou vele tientallen jaren actief blijven. Het bedrijf
als geheel boekt in de jaren '10 goede financiële resultaten, mede
op basis van de strategie van vaste verkoopprijzen. In 1918 biedt Fongers
werk aan ruim 300 mensen, een aantal dat daarna niet meer zal worden
overtroffen.
Fongers bood in oktober 1917 opvang aan ca. 600 mensen
uit België, die de oorlog in Vlaanderen waren ontvlucht. Eén
van de nieuwe productiehallen en de rijwielschool werden enkele weken
voor dat doel vrijgemaakt.
Met
de welvaartsgroei die vanaf 1920 stevig op gang komt neemt de popularisering
van de fiets toe. In 1920 bezat ongeveer 1 op de 6 Nederlanders een
fiets, eind jaren ‘30 is dat ca. 1 op 3 (een verdubbeling van
ca. 1,5 naar 3 miljoen fietsen). Bedroeg in de voorgaande jaren de Nederlandse
productie enkele tienduizenden exemplaren per jaar (de import speelde
vóór WO I een dominante rol), in de jaren ’20 en
’30 neemt de nationale productie scherp toe. De fiets wordt een
massa-artikel, geleverd door tientallen kleine en enkele grote fabrikanten.
In
deze veranderende markt is Fongers uit concurrentieoverwegingen gedwongen
de prijzen naar beneden bij te stellen. De goedkoopste herenfiets (1e
soort F) kost in 1922 136 gulden, de duurste (1e soort A, model BB)
234 gulden; deze prijzen liggen nog op het niveau van rond 1900. In
1923 introduceert men het goedkope model HH, dat voor 99 gulden te verkrijgen
is en bedoeld voor een nieuwe doelgroep. In de prijscourant wordt hoog
opgegeven van deze prijsdaling (‘hooge waarde voor een lagen prijs’),
maar in het jaarverslag wordt melding gemaakt van ‘buitengewoon
moeilijke tijdsomstandigheden’. Het boekjaar 1922 wordt voor het
eerst sinds lange jaren met een klein verlies afgesloten.
In 1923, twee jaar na de dood van Albert, treedt ingenieur Henk Herweijer
(het technische brein van de onderneming) tot de directie toe.
De
prijsdaling zet de daaropvolgende jaren door; het model HH (doortrapper
zonder rem) kost in 1927 nog maar 68 gulden. In datzelfde jaar doet
model BB 165 gulden. De relatief lage bedragen verhullen dat het om
een procentueel grote verlaging gaat: ruim 30% in 6 jaar. Fongers staat
voor de opgave de productiekosten terug te brengen, de afzet te verhogen
en tegelijk het rendement op peil te houden. Met de nodige moeite lukt
dit ook; na kleine verliezen in 1923 en 1924 wordt tot 1931 ieder jaar
winst geboekt. Het gaat om bedragen van 30.000 tot 50.000 gulden op
een omzet die blijft hangen rond de 225.000 gulden per jaar.

Eind jaren ’20 neemt het aantal leverbare modellen
(dat begin jaren ’20 zeer beperkt was) weer toe. Zo zijn in 1928
vijf kwaliteitsniveaus leverbaar (1e soort A t/m E) in zeven uitrustingsniveaus
(zie ook de pagina Modellen). In 1927 wordt het dienstrijwiel (model
DR) voor het publiek geïntroduceerd; vòòr die tijd
leverde Fongers al veel dienstfietsen aan het leger en aan ambtelijke
diensten. In 1930 komt men met een transportrijwiel op de markt, terwijl
vanaf 1931 sinds lange tijd weer kinderfietsen leverbaar zijn. Met deze
aanpassingen in het assortiment wordt Fongers steeds meer een ‘gewone’
fietsenfabriek. Het modellengamma verschilt weinig meer van dat van
de andere Nederlandse fabrieken. Weliswaar blijft Fongers ook zeer luxe
toerfietsen leveren, maar het belang van de duurdere fiets in de afzet
neemt steeds verder af.
Begin jaren ’30 krijgt het bedrijf het stevig
voor de kiezen. Zo wordt in 1931 een verlies geleden van 88.000 gulden
op een exploitatie van 181.000 gulden. Met name de export naar Indië
loopt terug, terwijl in eigen land de afzet onder druk staat als gevolg
van de internationale beurscrisis. In 1932 is het verlies nog groter
bij een verder geslonken omzet.
In deze jaren onderzoekt Ties Fongers met de directie van Burgers de
mogelijkheden van een fusie, die er echter niet van komt (om onduidelijke
redenen).
De moeizame omstandigheden worden door de directie in de jaarverslagen
(gericht aan de Raad van Commissarissen) steeds breed uitgemeten; in
de communicatie naar de agenten worden deze hooguit globaal genoemd.
In de publieksfolders voert een opgewekte toonzetting de boventoon (‘wie
bij de keuze van een rijwiel rekent kiest een Fongers’). Fongers
volgt met consequente prijsverlagingen de markt, maar blijft gemiddeld
10 à 20% duurder dan de andere grote merken.
De
prijsdalingen zullen doorgaan tot 1935. Het eenvoudige model H (inmiddels
met vrijwiel en bandrem) kost dan slechts 39 gulden. Het meest luxe
model (BB, uitrusting 9) gaat voor precies 100 gulden over de toonbank.
Ten opzichte van 1921 zijn de prijzen in veertien jaar zo’n 60%
verlaagd. Door verhoging van de afzet en besparingen op de productiekosten
slaagt Fongers erin de jaren ‘30 redelijk goed door te komen.
In 1937 worden een tandem en sportrijwiel aan de collectie toegevoegd
en in 1938 de zogenaamde verkeersrijwielen (fietsen met een lage instap,
waardoor de berijder gemakkelijk met de voeten bij de grond kan). Vanaf
1936 gaan de prijzen langzaam weer omhoog. In deze jaren wordt voor
het eerst sinds lange tijd weer dividend aan de aandeelhouders van de
NV uitgekeerd.
Vanaf
1939 laat zich de invloed van de Tweede Wereldoorlog voelen. De prijzen
van grondstoffen gaan scherp omhoog, terwijl de aanvoer van sommige
goederen begint te haperen. Toch draait het bedrijf redelijk door tot
1942, in welk jaar nog dividend wordt uitgekeerd. In 1941 wordt door
de directie het Pensioenfonds Fongers opgericht met een beginkapitaal
van 111.000 gulden. Het bedrijf toont daarmee verantwoordelijkheid voor
zijn medewerkers.
In de volgende oorlogsjaren komt de productie langzaam maar zeker tot
stilstand. Gas en stroom zijn gerantsoeneerd, de aanvoer van grondstoffen
stagneert en er wordt staal door de bezetter gevorderd. Het gebouwencomplex
blijft ongedeerd tijdens de oorlog en de bevrijding. In mei 1945, enkele
dagen voor de bevrijding, dwingt de bezetter Fongers nog 150 fietsen
kosteloos af te staan. Het boekjaar wordt met een stevig verlies afgesloten,
bij een sterk teruggelopen omzet. Fongers kan deze verliezen opvangen
doordat men een winst-/verliesvoorziening heeft van ca. 1 miljoen gulden.
Met deze robuuste reserve is Fongers nog steeds een kapitaalkrachtig
bedrijf.
De eerste naoorlogse jaren zijn voor Fongers bepaald
niet eenvoudig, zoals voor de gehele Nederlandse industrie zou gelden.
De voorraden zijn vrijwel op, de aanvoer van grondstoffen komt moeizaam
op gang, er is een tekort aan geschoold personeel en veel artikelen
zijn door de overheid op de bon gezet. Fongers kan niet aan de oplevende
vraag voldoen. Uit nood worden fietsen uit Frankrijk en Groot-Brittannië
geïmporteerd. Toch wordt in 1947 al weer een winst geboekt van
61.000 gulden bij een omzet van 201.000 gulden. Pas in 1949 komt een
einde aan de overheidsdistributie van fietsen, maar blijft er sprake
van tekorten aan personeel en grondstoffen.
In 1944 overlijdt Ties
Fongers op de leeftijd van 73 jaar. Hij is dan bijna 50 jaar directeur
geweest, maar de laatste twintig jaar niet met veel plezier. Naar verluidt
had hij in de jaren ’20 al van strategie willen veranderen en
verbindingen met andere fabrikanten willen aangaan. De machtige Raad
van Commissarissen, waarin sommige leden ook tientallen jaren zitting
hadden, heeft dit steeds tegengehouden, waarschijnlijk omdat men sterk
hechtte aan de statuur van het Groninger bedrijf. Meer dan eens moet
het tussen directie en Raad van Commissarissen gebotst hebben. De directie
wordt na 1944 gevormd door de heren Siemelink (een oudgediende bij Fongers)
en Elema (al sinds 1910 in dienst).
In 1946 wordt het vijftigjarig jubileum van de NV herdacht.
Er verschijnt een sober jubileumboekje,
dat in het teken staat van de moeilijke naoorlogse omstandigheden en
het recente overlijden van Ties. Het boekje vermeldt dat de rijwielindustrie
in totaal ontredderde toestand na de oorlog is achtergebleven. De directie
spreekt niettemin van ‘een ongeschokt vertrouwen in de toekomstige
gang van zaken en de ontwikkeling van het bedrijf der Fongers Rijwielenfabriek,
als integrerend onderdeel van de Nederlandse Industrie’.
Fongers was, zoals de meeste bedrijven begin twintigste
eeuw, een familiebedrijf met een overzichtelijke schaal. Toch was de
afstand tussen de directie en het uitvoerend personeel vrij groot en
lijkt minder sprake te zijn geweest van een 'grote familie' (zoals dit
bijvoorbeeld wel het geval was bij Gazelle en Batavus). De ligging in
de grote stad droeg hiertoe waarschijnlijk bij. Dit betekende niet dat
de directie geen aandacht had voor de medewerkers. Fongers stond bekend
als een goed werkgever, waarbij men vaak een leven lang in dienst bleef.
Zo wordt in de jubileumuitgave van 1946 (50-jarig bestaan van de NV)
stilgestaan bij de verdiensten van bedrijfsleider Hahn, die ruim 55
jaar aan het bedrijf verbonden is geweest. Uit de beschikbare publicaties
komt niettemin een beeld naar voren van een wat 'steile' bedrijfscultuur,
in zekere zin overeenkomend met de positie van het bedrijf in de markt.
Begin
jaren vijftig groeit de omzet van het bedrijf. In 1954 bedraagt deze
al 2,1 miljoen gulden en wordt een rendement van ca. 15% gehaald. Vanaf
1952 worden op grotere schaal sportmodellen
geïntroduceerd en kunnen fietsen zonder meerprijs in kleur worden
geleverd. In 1953 wordt het aandelenkapitaal uitgebreid met 9 ton.
Het jaar 1957 betekent een ommekeer voor Fongers. Het boekjaar wordt
afgesloten met een substantieel verlies van ruim 5 ton bij een omzetdaling
van 18%. De commissarissen geven opdracht voor een extern organisatieonderzoek.
Het jaarverslag meldt de bevindingen uit dit onderzoek: de jaren 1945-1957
worden gekenmerkt door gebrekkige bedrijfsvoering, teveel aandacht voor
boekwinst en het uitblijven van modernisering van productiemethoden;
het maken van fietsen is bij Fongers nog een ambacht; de markt is te
laat gevolgd; de komst van de EEG noopt tot heroriëntatie; aansluiting
bij andere fabrikanten is onontkoombaar. Aldus het jaarverslag 1957.
Nog datzelfde jaar wordt afscheid genomen van directeur Siemelink, in
1958 gevolgd door directeur Elema. In 1958 start een grote sanering
waarbij tientallen personeelsleden worden ontslagen. Eind 1958 werken
er bij Fongers nog 144 medewerkers. Dat jaar loopt het verlies terug
en in 1960 is er weer sprake van een bescheiden positief resultaat.
Na een periode van overleg en onderhandeling (aanvankelijk
met Union) worden de aandelen Fongers in 1961 overgenomen door het bedrijf
Phoenix uit Leeuwarden; in datzelfde jaar sluit ook de NV van Werven
uit Meppel, producent van Germaan, zich hierbij aan. Belangrijke overweging
is dat met dit conglomeraat een noordelijk bedrijf ontstaat, dat in
Groningen de productie kan concentreren. In 1966 wordt de NV Rijwielindustrie
Phoenix-Fongers-Germaan gevormd (PFG-groep). De drie oude merken blijven
zich onder eigen naam in de markt presenteren.
De nieuwe combinatie weet goed in te spelen op de groeiende en zich
vernieuwende markt. Met het bedrijf RIH wordt gezamenlijk een lichte
sportfiets op de markt gebracht. In 1965 komt PFG met de eerste eigen
vouwfiets (model Compact, leverbaar onder de drie merknamen), gevolgd
door diverse varianten.
In
een markt gekenmerkt door scherpe concurrentie is het van levensbelang
voor de fietsindustrie het productieproces te rationaliseren. Veel middelgrote
fabrikanten slagen daar niet tijdig in en leggen medio jaren ‘60
het loodje. De Nederlandse rijwielindustrie is in die jaren onderhevig
aan sterke concentratiebewegingen. Eind jaren ‘60 wordt duidelijk
dat ook de PFG-combinatie het niet gaat redden; de keuze is om grote
investeringen in de Groningse fabriek te doen of te stoppen met de productie
aldaar. De directie kiest ervoor het bedrijf te stoppen. Batavus
neemt in mei 1970 de merknamen over.
De merknaam Fongers zal als submerk van Batavus gevoerd blijven worden
tot medio jaren ’80.
Rond 2000 koopt een importbedrijf de merknaam Fongers en brengt niet
al te beste vouwfietsen tegen scherpe prijzen op de markt. In 2008 wisselt
de merknaam opnieuw van eigenaar en worden onder de naam Fongers (met
een nep-schild op het balhoofd) door Batavus toerfietsen van populair
niveau in de markt gezet.
Met
de sluiting van Fongers fabriek in 1970 komt een eind aan 85 jaar rijwielproductie
in Groningen. Het complex kent nog enkele tijdelijke gebruikers maar
komt begin jaren ‘80 leeg te staan. Na een grote brand medio jaren
‘80 worden de fabriekshallen gesloopt en verrijst een woonbuurtje
achter het hoofdgebouw met naam Fongersplaats. Het middendeel van de
oude voorgevel wordt in oude luister hersteld en op de plaats van de
twee (lagere) zijvleugels worden nieuwe kantoorpanden aangebouwd. Het
resulterende kantorencomplex krijgt de naam Fongersstede en zal verschillende
huurders onderdak bieden (het pand is in bezit van een commerciële
verhuurder). Het trotse hoofdgebouw blijft in elk geval qua front behouden,
met inbegrip van de gevelstenen en het fietswiel op de top van het torentje!
Hoewel het bedrijf inmiddels ruim 40 jaar ter ziele is, is de naam Fongers
nog steeds een begrip in de stad Groningen.
In retrospectief is de periode 1900 - 1920 als de meest
succesvolle van het bedrijf te beschouwen. Innovatie, groei en succes
kenmerkten deze periode. Fongers maakte naam met fietsen van bijzondere
kwaliteit, die hun gelijke niet kenden en waarmee tot ver buiten de
landsgrenzen werd ‘gescoord’. Hoewel de afzet in deze twintig
jaar uiteindelijk niet meer dan een kleine 100.000 fietsen heeft bedragen,
heeft het bedrijf in deze periode zijn naam als klassemerk gevestigd.
Fongers heeft in zijn 85-jarige bestaan een grote bijdrage geleverd
aan de ontwikkeling van de Nederlandse kwaliteitsfiets. Het Deventer
merk Burgers gaat Fongers voor als vroege pionier, maar heeft na 1900
minder van zich doen spreken op het gebied van productontwikkeling.
Bedrijven als Gazelle en Batavus bestaan inmiddels meer dan 100 jaar,
maar hebben een minder uitgesproken rol gespeeld in de vroege ontwikkeling
van de Nederlandse fiets.
Overzien we de geschiedenis van Fongers, dan blijft een gemengd gevoel
achter. Het is te betreuren dat het kwaliteitsmerk in de jaren na de
Tweede Wereldoorlog de boot van productievernieuwing heeft gemist. Overigens
stond Fongers hierin niet alleen en trof dat lot menig vooroorlogs fietsproducent.
Terug naar boven
|