| |

Albert Jans Fongers, de oprichter van het bedrijf, werd in 1841 in het
Groninger dorp Warffum geboren als zesde kind van bakker Jan Alberts
Fongers. De naam Fongers betekent zoon van Fonger, een destijds gebruikelijke
voornaam in de provincie Groningen. De familienaam Fongers gaat terug
tot 1702, toen Fonger Geerts werd geboren. Vijf generaties later kwam
Albert Fongers ter wereld, als telg van een bij uitstek Groninger geslacht.
Rond 1860 ging het niet goed op het Groninger Hogeland. Een klein aantal
herenboeren maakte de dienst uit en voor de gewone man was het de keus
bij zo’n grote boer aan de gang te gaan tegen een karig loon of
een baantje in de middenstand te vinden.
Albert Fongers was een ondernemend type en koos ervoor begin jaren ‘60
naar de grote stad te trekken en bij een smidse een baan als knecht
te aanvaarden. In 1867 trouwde hij met Hinderika Bos. Zij kregen rond
1870 drie kinderen, waarvan Ties (1871) de jongste was. In 1871 maakte
hij de keus voor zichzelf te beginnen en nam, met steun van een aantal
klanten, een smederij over aan het Nieuwe Kerkhof (nummer 210/212) in
het noordelijk deel van de binnenstad, aan de voet van de Nieuwe Kerk.
De
stad Groningen bruiste in die periode van bedrijvigheid. De stad, vanouds
een scheepvaart- en handelscentrum, stond aan het begin van een periode
van industriële bloei. Bedrijven als Niemeijer (tabak), Scholten
(aardappelmeel) en Wolters (uitgeverij) werden in die periode opgericht.
Groningen was, ondanks zijn perifere ligging, een stad met landelijke
aspiraties en breidde snel uit. Eind 19e eeuw bevond de stad zich in
een overgangsfase van ambachtelijke naar semi-industriële bedrijvigheid.
De smederij van Albert Fongers had veel werk aan het
beslaan van paarden, het maken van karren, rijtuigen en reparatiewerk.
Op enig moment raakte Albert gefascineerd door de nieuwe ‘velocipedes’
die eind jaren ‘70 mondjesmaat uit Engeland en Frankrijk werden
ingevoerd. Deze ’machines’ waren alleen bereikbaar voor
de rijksten, die ook nog durf hadden zich met deze nieuwe tweewielers
op de weg te begeven. Op zeer bescheiden schaal was Burgers uit Deventer
in 1871 met de productie van loopfietsen gestart, maar verder waren
er rond 1880 nog geen Nederlandse fabrikanten.
Albert kocht begin jaren '80 een hoge bi uit Engeland, waarmee vader
en zoon veel bekijks trokken. Geïntrigeerd door het nieuwe vervoermiddel,
zette hij 1884 zijn eerste hoge bi in elkaar, met onderdelen van derden.
Op de pagina Bedrijfsgeschiedenis wordt het verhaal van het bedrijf
vervolgd.

Over de familie
Fongers is relatief weinig overgeleverd. Hun leven stond in het
teken van het bedrijf. In de necrologie van Albert wordt vermeld dat
hij in de periode 1871- 1921 (jaartal overlijden) nooit een dag vakantie
heeft gehad! In de beginjaren van de onderneming was hij een eenvoudig
ambachtsman en moet de familie een voor die tijd gewoon leven hebben
geleid. Pas na oprichting van de NV in 1896 (Albert was toen al 55 jaar)
trad hij toe tot de selecte categorie ‘industriëlen’
van de stad. Zijn vrouw Hinderika bleef vooral achter de schermen. Zoon
Ties is van meet af aan door zijn vader bij het bedrijf betrokken en
trad bij de start van de NV reeds toe tot de directie op de leeftijd
van 25 jaar. Anders dan zijn vader behoorde Ties vanaf volwassenheid
al tot de stedelijke elite. Hij trouwde (pas) in 1920 met Elizabeth
Koster en zou in 1921 een dochter (Riekje) krijgen.
De fabrikantentak van het geslacht Fongers zou met de dood van Ties
(1944) in de mannelijke lijn ophouden te bestaan, zij het dat de oudste
zoon van Riekje (Jen Albert Nieubuurt) in 1972 zijn naam heeft laten
wijzigen in ‘Nieubuurt Fongers’.
Het is niet geheel duidelijk of de dochter van Ties na zijn dood nog
een rol heeft gespeeld als grootaandeelhouder van het bedrijf.
De familienaam Fongers komt nog op enige schaal voor in Nederland.
Het gaat om nakomelingen van andere afstammelingen van oervader Fonger
Geerts. Wiebe Kloosterman uit Leek heeft in 2000 de genealogie van de
familie Fongers in kaart gebracht.
|